Home / Kennisbank / Ontwikkeling / Je baby van 6 tot 12 maanden: zitten, kruipen, brabbelen en een huis dat mee verandert
Praktische info en wat BabyTracker in deze maanden voor je doetJe baby van 6 tot 12 maanden: zitten, kruipen, brabbelen en een huis dat mee verandert
Je legt je baby op een kleed met wat speelgoed, je loopt naar de keuken, en als je terugkomt ligt hij een halve meter verderop met een schoen in zijn hand.
Rond twaalf maanden zit ongeveer 99 van de 100 kinderen stabiel los en trekt ongeveer 95 van de 100 zich op tot staan. De volgorde ernaartoe verschilt sterk per kind, en er zijn kinderen die het kruipen grotendeels overslaan.
Hieronder staat wat de cijfers van het consultatiebureau zeggen, waarom je het huis eerder aanpast dan je zou denken, en wanneer je iets voorlegt.
In het kort
- Rond 12 maanden zit ongeveer 99 van de 100 kinderen stabiel los.
- Tijgeren komt meestal eerder dan kruipen op handen en knieën; sommige kinderen slaan kruipen over.
- Ergens in dit halfjaar valt er bij veel baby’s een dutje af, in rommelige stappen.
- Pas het huis aan vóór je kind kruipt: een traphekje boven én onder de trap.
- Twijfel je over de ontwikkeling, leg het dan voor op het consultatiebureau.
Wat je merkt
In het begin van dit halfjaar zie je vooral houding. Je baby zit met zijn handen op de grond, valt om, en komt terug omhoog. Later zie je verplaatsing: draaien om zijn as om bij een speeltje te komen, achteruit schuiven voordat vooruit lukt, en zich optrekken aan de bank.
Bij het pakken verandert de greep. Waar eerst de hele hand omheen ging, komen nu duim en wijsvinger samen. Vanaf dat moment komt ook het pluisje van het kleed omhoog, en dat gaat rechtstreeks naar de mond.
In het geluid hoor je herhaling: dadada, bababa, gagaga. Verderop in het jaar komt het kijken erbij. Je kind draait zich om bij zijn naam, volgt jouw wijsvinger en zwaait terug.
En je ziet dat hij verschil maakt tussen jou en een onbekende. Komt er iemand dichtbij die hij niet kent, dan draait hij zijn hoofd weg en steekt hij zijn handen naar jou uit.
Wat gebruikelijk is, in cijfers
Op het consultatiebureau kijkt de jeugdverpleegkundige of jeugdarts naar een vaste lijst met kenmerken, het Van Wiechen ontwikkelingsonderzoek. Bij elk kenmerk is vastgelegd welk deel van de kinderen het op de meetleeftijd laat zien. Je ziet daar dus geen gemiddelde leeftijd, maar een aandeel van alle kinderen.
Dit verschilt sterk per kind. De tabel geeft een richting, geen norm.
| Wat het kind laat zien | Gemeten rond | Deel dat het dan laat zien |
|---|---|---|
| Zegt dadada, bababa of gaga | 9 maanden | ongeveer 99 van de 100 |
| Zit stabiel los | 12 maanden | ongeveer 99 van de 100 |
| Pakt een propje met duim en wijsvinger | 12 maanden | ongeveer 96 van de 100 |
| Tijgert vooruit, buik op de grond | 12 maanden | ongeveer 96 van de 100 |
| Trekt zich op tot staan | 12 maanden | ongeveer 95 van de 100 |
| Maakt communicatieve gebaren, zoals zwaaien of wijzen | 12 maanden | ongeveer 95 van de 100 |
| Kruipt vooruit, buik vrij van de grond | 15 maanden | ongeveer 97 van de 100 |
| Loopt langs de bank of de tafel | 15 maanden | ongeveer 97 van de 100 |
Twee dingen vallen op. Het kruipen op handen en knieën staat pas bij vijftien maanden in het schema, terwijl tijgeren al rond twaalf maanden wordt gevraagd. Veel kinderen tijgeren dus weken tot maanden voordat de buik van de grond komt.
En langs de bank lopen staat er ook pas bij vijftien maanden. Een kind van elf maanden dat nog nergens langs stapt, zit dus ruim binnen wat gebruikelijk is. Meer over de stappen ernaartoe staat in wanneer een baby kan zitten, wanneer een baby gaat kruipen en wanneer een baby gaat staan.
Waarom stabiel zitten de handen vrijmaakt
Wat je ziet: je kind zit, wiebelt, steekt een hand uit en vangt zichzelf op. In het onderzoek telt het pas als los zitten wanneer een kind bij een verstoring van het evenwicht zelf herstelt, of op zijn uitgestoken hand steunt om niet om te vallen.
Wat daaronder zit: zolang de handen nodig zijn om niet om te vallen, zijn ze niet vrij om ergens naartoe te reiken. Pas als de romp het evenwicht zelf opvangt, houdt je kind zittend twee handen over.
Waarom het advies daarom werkt: tijd op de vloer, op de buik en op de billen, met iets interessants net buiten bereik, is de oefening die de romp daarvoor nodig heeft. Wie in een stoeltje of een wipper zit, krijgt de houding kant en klaar en oefent het bijsturen niet. Korte momenten in een zitje kunnen prima; het is het lange zitten dat weinig oplevert.
Verplaatsen hoeft daar niet op te wachten. Veel kinderen tijgeren over de grond terwijl het losse zitten nog wiebelt, en welke van de twee eerst komt verschilt per kind.
Brabbelen, wijzen en begrijpen
Rond negen maanden zegt bijna elk kind reeksen met dezelfde klank, zoals dadada, bababa of gaga: ongeveer 99 van de 100. Betekenis zit daar nog niet in. In hetzelfde onderzoek wordt naar twee geluidswoorden met begrip pas rond vijftien maanden gevraagd, en dan laat ongeveer 83 van de 100 kinderen het zien.
Eerst komt de klank, dan het gebaar, en pas daarna het woord met begrip. Wijzen en zwaaien zijn dus geen bijzaak maar de tussenstap: je kind laat er iets mee weten voordat het er een woord voor heeft.
Wat je zelf kunt doen, en waarom het helpt:
- Het helpt om te benoemen wat je doet terwijl je het doet, want dan komt het woord binnen op het moment dat je kind de zaak voor zich ziet.
- Je kunt een paar tellen wachten na een geluid van je kind. Je geeft hem daarmee de beurt, en daar bestaat een gesprek uit.
- Herhalen wat je kind zegt en er het woord van maken werkt goed: zegt hij baba bij de fles, dan zeg jij fles.
- Op ooghoogte praten helpt, omdat je kind je mond dan kan zien bewegen.
- Voorlezen kan met dikke bladzijden die je kind zelf omslaat. Het gaat om je stem en om samen kijken, en het verhaal hoeft niet uit.
Het advies is om vanaf zeven maanden brood met korst te geven: ook zonder tanden bijt en kauwt je kind met de kaken, en dat is goed voor de mondspieren en voor de spraakontwikkeling. Meer over de eerste woorden staat in wanneer een baby mama zegt.
Eenkennigheid: waarom die juist nu begint
Vanaf negen tot twaalf maanden ontwikkelen de meeste kinderen eenkennigheid. Je kind voelt zich dan alleen bij een of twee vertrouwde volwassenen veilig, huilt bij bezoek en klampt zich vast als je met een onbekende praat. Bij het ene kind is dat sterk, bij het andere merk je er weinig van.
Onder dat gedrag zit een nieuwe vaardigheid. Je kind bouwt in deze maanden een band op met de mensen die voor hem zorgen: hij leert op wie hij kan vertrouwen, en merkt daardoor steeds beter het verschil met andere mensen om hem heen. Doordat hij bekend van onbekend kan onderscheiden, schrikt hij ook van iemand die hij niet kent.
Daarom werkt aandringen slecht en nabijheid goed. Er zijn drie dingen die je kunt doen: accepteer dat je kind tegen je aankruipt en dwing geen contact af, stel je kind gerust en blijf zelf rustig zonder er veel aandacht aan te besteden, en vertel je kind wie de ander is terwijl je gewoon met die ander doorpraat. Dat laatste laat je kind zien dat het niet eng is.
Eenkennigheid komt het meest voor bij kinderen tussen een en twee jaar, en wordt meestal minder of gaat over rond het tweede jaar. Gaat je kind in deze periode naar de opvang of komt er een oppas, dan helpt een kort en steeds hetzelfde afscheid; zie de overdracht aan de oppas.
Eten: van hapje naar maaltijd
Melk blijft dit hele halfjaar de basis. Vanaf acht maanden kun je een melkvoeding vervangen door een volledige maaltijd, en rond twaalf maanden eet je kind drie volledige maaltijden mee. Twee à drie melkvoedingen per dag is daarbij de richtlijn; voeden op verzoek blijft het uitgangspunt.
Het gaat stap voor stap. Reken op ongeveer een week om één maaltijd zo groot te maken dat er een melkvoeding af kan, en laat je kind daaraan wennen voordat de volgende wordt vervangen. Hoe je begint staat in de eerste hapjes starten.
- Je kunt steeds wat minder fijn prakken, zodat je kind aan grovere stukken went en later met de pot mee kan eten.
- Vanaf zeven maanden is brood met korst het advies, omdat bijten en kauwen de kaken en de mondspieren oefent.
- Erbij blijven zitten tijdens het eten is het belangrijkste, want dan kun je meteen ingrijpen als er iets misgaat.
- Druiven en kerstomaatjes kun je het beste halveren of in stukjes snijden; daar verslikken kinderen zich snel in.
- Na de kennismaking vóór acht maanden kun je pindakaas en ei blijven aanbieden: elke week een flinke eetlepel, in één keer of over de week verdeeld. Zie pindakaas en ei.
- Vitamine D gaat elke dag door: 10 microgram, tot je kind vier jaar is. Zie vitamine K en D.
- Water bij de maaltijd kan vanaf zes maanden; zoete dranken zijn slecht voor het gebit. Zie water geven.
- Koemelk als drinken kan vanaf twaalf maanden, omdat koemelk in het eerste jaar te weinig ijzer en te veel eiwit levert. Zie koemelk.
- Honing hoort niet bij de voeding in het eerste jaar: er kan een bacterie in zitten die bij baby’s botulisme kan veroorzaken. Zie waarom geen honing.
Slapen: van drie dutjes naar twee
Dit verschilt sterk per kind. De tabel geeft een richting, geen norm. De cijfers komen uit tabel 1 van de JGZ-richtlijn Slaap; voor negen maanden staat daar geen eigen rij in, dus het meetpunt van acht maanden is dan het dichtstbijzijnde houvast.
| Leeftijd | Slaap per etmaal, gemiddeld (spreiding) | Keren wakker per nacht, gemiddeld (spreiding) |
|---|---|---|
| 6 maanden | 15 uur (6 tot 21) | 2,5 (0 tot 15) |
| 8 maanden | 13,3 uur (8 tot 21) | 2,4 (0 tot 21,5) |
| 12 maanden | 12,8 uur (6,5 tot 16) | 1,8 (0 tot 13,5) |
Kijk vooral naar de spreiding. Rond acht maanden loopt de gemeten slaapduur van 8 tot 21 uur per etmaal. Dat is uren verschil tussen twee gezonde kinderen van dezelfde leeftijd, en een totaal dat van het gemiddelde afwijkt zegt op zichzelf dus weinig. Meer daarover staat in hoeveel een baby slaapt.
Wat je thuis in dit halfjaar het meest merkt, is het aantal dutjes. Bij veel baby’s valt er ergens in deze maanden een dutje af, en die overgang gaat zelden in één keer goed, want de dag is een tijdje te lang voor twee dutjes en te kort voor drie. Zie de overgangen tussen dutjes.
Wakker worden hoort er in dit halfjaar nog gewoon bij, en het neemt maar langzaam af, zoals in de tabel te zien is. Doorslapen betekent daarbij ononderbroken slapen tussen middernacht en zes uur; wat daarover per leeftijd bekend is, staat in wanneer slaapt een baby door.
De veiligheidsadviezen veranderen niet met de leeftijd: op de rug neerleggen, een eigen leeg bedje, een passende slaapzak en een rookvrij huis. Draait je kind zichzelf om, dan mag hij blijven liggen; neerleggen op de rug blijft het advies. De uitleg per regel staat in de vier basisregels voor veilig slapen.
Zodra je kind zich in bed optrekt, is de rand van het bedje ineens bereikbaar. Dan kan de bodem op de laagste stand.
Het huis: neem de maatregel voordat de vaardigheid er is
Ouders onderschatten vaak wat hun kind al kan, en nemen daardoor te laat maatregelen. Dat is de reden om het huis aan te passen in de weken vóór je kind kruipt, en niet op de dag dat hij het voor het eerst doet.
Dit zijn de vier belangrijkste maatregelen:
- Traphekjes onder én boven aan de trap, en die altijd dicht. Een val van de trap is de meest voorkomende reden dat kinderen met letsel op de spoedeisende hulp belanden, en kinderen vallen vooral terwijl ze zelf naar boven klauteren; daarom is het hekje onderaan net zo belangrijk als dat erboven.
- Schoonmaakmiddelen altijd opbergen, hoog of achter een kinderslot. Jaarlijks belanden ruim duizend kinderen in het ziekenhuis na het eten of drinken van iets giftigs, en die middelen staan vaak voor het grijpen in het gootsteenkastje, in felgekleurde verpakkingen.
- Producten met knoopcelbatterijen weg bij je kind. Ze zitten in de autosleutel, de afstandsbediening en het ledwaxinelichtje, en een ingeslikte knoopcel kan in de slokdarm blijven steken en ernstige schade aanrichten.
- De stopcontacten beveiligen waar je kind bij kan. Op kindhoogte ziet een stopcontact eruit als een vrolijk gezichtje, en dat nodigt uit om eraan te zitten.
Daar komen twee dingen bij die vaak worden onderschat. Van de brandwondenongevallen bij kinderen gebeurt 84 procent terwijl de ouders erbij zijn. Een kop thee verderop op tafel zetten doet daarom meer dan strenger opletten, en hetzelfde geldt voor koken op de achterste pitten.
En water: een kind kan geruisloos verdrinken in een laagje van tien centimeter. Een badje, een emmer of een vijver is dus geen plek om je kind ook heel even alleen te laten.
De snelste inspectie doe je zelf: op je knieën door de kamer, op de hoogte waarop je kind straks rondkruipt. Dan zie je de snoeren, de koorden van de gordijnen, de scherpe hoek van de salontafel en het muntje onder de bank.
Wat vaak niet helpt
Een paar dingen kosten moeite en leveren weinig op:
- Alleen boven aan de trap een hekje plaatsen, want kinderen vallen juist van de trap terwijl ze zelf naar boven klauteren.
- Rekenen op toezicht waar een maatregel mogelijk is. Bij hete dranken en bij de kookplaat verandert de plek van het kopje of de pan het risico, en scherper opletten niet.
- Vasthouden aan drie dutjes terwijl je kind het derde al weken wegduwt, want dan schuift de bedtijd elke avond verder op.
- Aandringen bij een eenkennig kind, omdat iemand die te snel te dichtbij komt de schrik meestal groter maakt.
- Babykoekjes en maisvingers als vast tussendoortje: die bevatten weinig tot geen gezonde voedingsstoffen en je baby heeft ze niet nodig.
- Vergelijken met een leeftijdsgenootje, want de spreiding is in deze maanden zo groot dat één vergelijking je niets vertelt.
Als het niet lukt
Elk advies hierboven heeft een vervolg voor als het niet werkt.
- Lukt het tweede dutje niet en is je kind aan het eind van de middag op? Haal die dag de bedtijd een half uur naar voren in plaats van een derde dutje te forceren. Houd dat twee weken vol voordat je iets anders probeert, want korter dan dat zie je alleen de dagelijkse schommeling.
- Weigert je kind een maaltijd? Bied hem aan zonder aandringen en haal het bord na een minuut of twintig weg, en kijk naar een hele week in plaats van naar één dag. Eet je kind echt niets, of komt er overgeven of diarree bij, bespreek het dan op het consultatiebureau.
- Komt je kind na weken oefenen niet vooruit op de grond? Meer vrije vloer, minder tijd in een stoeltje of wipper en iets interessants net buiten bereik is de oefening die helpt. Is er tegen de tijd dat hij twaalf maanden is nog geen beweging in gekomen, leg het dan voor op het consultatiebureau.
- Blijft je kind na twee weken ontroostbaar bij het afscheid op de opvang? Spreek met de opvang één vast, kort ritueel af en laat steeds dezelfde persoon je kind overnemen. Verandert dat na nog twee weken niets, bespreek het dan op het consultatiebureau.
- Blijft je kind na twintig minuten sussen wakker en loopt het bij jou op? Leg hem veilig in bed, ga de kamer uit en kom na een paar minuten terug.
Wanneer je contact opneemt
Voor vragen over de ontwikkeling is het consultatiebureau het adres. Daar volgen ze je kind persoonlijk en kijken ze naar het geheel, niet naar één losse datum. Leg het in elk geval voor bij een van deze punten:
- Je kind reageert niet op zijn naam of op geluid.
- Je kind maakt geen brabbelgeluiden en zoekt geen oogcontact.
- Je kind gebruikt één kant van het lichaam duidelijk minder.
- Je kind zit rond twaalf maanden nog niet los of komt niet tot staan; dat is de leeftijd waarop het consultatiebureau er zelf naar kijkt.
- Je kind verliest iets wat het al kon.
- Je maakt je zorgen en komt er zelf niet uit.
Wat al gold voordat dit begon, telt mee. Is je kind te vroeg geboren, reken dan met de gecorrigeerde leeftijd; hoe dat werkt staat in gecorrigeerde leeftijd. Is er een bekende aandoening of een eerdere zorg, dan neemt het consultatiebureau dat mee in wat het van je kind verwacht.
Bel de huisarts, of buiten kantooruren de huisartsenspoedpost, als je denkt dat je kind iets giftigs heeft binnengekregen of een knoopcelbatterij heeft ingeslikt. Welke signalen bij een ziek kind of na een val om beoordeling vragen, staat op Thuisarts.nl; die lijst stellen wij niet zelf op.
Verslikt je kind zich? Haal het voorwerp voorzichtig met twee vingers uit de keel, of klop met de vlakke hand op de rug tussen de schouderbladen. Raakt je kind bewusteloos, bel dan direct 112.
Hoe het met jou gaat
Dit halfjaar vraagt lichamelijk meer dan het vorige. Je loopt de hele dag achter een kind aan dat overal bij kan, je zegt voortdurend nee, en als je kind eenkennig is wil het bovendien vooral bij jou zijn en kan een ander het maar moeilijk overnemen. Veel ouders komen op een punt dat het niet meer gaat.
Vermoeidheid, ongerustheid en af en toe boosheid horen bij deze maanden. Wat je eraan kunt doen, is concreet en klein:
- Eén vast blok van twee uur per week waarin jij niets hoeft, afgesproken met de andere ouder of met iemand in de buurt, houdt beter stand dan de afspraak om het rustiger aan te doen.
- Merk je dat het bij een huilende baby bij jou oploopt? Leg hem dan veilig in bed en ga een paar minuten de kamer uit.
- Slaap je al weken slecht en kom je er overdag niet meer doorheen, maak dan een afspraak bij de huisarts.
- Piekeren over de ontwikkeling stopt zelden vanzelf. Eén concrete vraag opschrijven en meenemen naar het consultatiebureau werkt beter dan wachten tot het zakt; zie het consultatiebureau voorbereiden.
Wat BabyTracker in deze maanden voor je doet
In het tweede halfjaar verandert de vraag. Het gaat niet meer over of je baby genoeg drinkt, maar over ritme en over alles wat er nieuw bij komt: hapjes, kruipen, eenkennigheid, en een huis dat op slot moet. Hieronder staat per onderdeel wat je in de app doet en wat je eraan hebt.
De hapjes: onthouden wat je al hebt geprobeerd
Zodra de oefenhapjes beginnen, komt er een vraag bij die je in je hoofd niet lang volhoudt: wat heeft hij al gehad, en wanneer was de laatste keer pindakaas of ei? Dat laatste is geen detail. Het advies is om vóór 8 maanden kennis te maken met pindakaas en ei, en het daarna wekelijks te blijven aanbieden.
Je legt een hapje vast als vaste voeding en typt er een notitie bij, bijvoorbeeld “broccoli, vies gezicht” of “pindakaas, half theelepeltje”. In het dagoverzicht blader je terug en zie je precies wanneer je wat hebt aangeboden.
- Tik op de plusknop en kies Voeding.
- Kies Vaste voeding.
- Typ er een notitie bij met wat je gaf en hoe het ging.
De slaap: van drie slaapjes naar twee
Ergens in dit halfjaar valt er meestal een slaapje af. Dat gaat zelden in één keer goed: de ene dag lukt het, de andere dag is je baby om vier uur op. Het slaappatroon bij Inzicht laat per dag zien wannéér er geslapen is, in een balk van middernacht tot middernacht.
Daaraan zie je iets wat een totaal aantal uren nooit laat zien: dat het ochtendslaapje korter wordt, dat het middagslaapje opschuift, en of de overgang echt bezig is of dat het toeval was. Je hoeft er niets mee te doen; het helpt vooral om te weten waar je staat.
De mijlpalen: vastleggen zonder wedstrijd
Los zitten, tijgeren, kruipen, zwaaien, het eerste woordje dat op een woord lijkt. In de app staat per leeftijd wat er mogelijk aankomt, gebaseerd op de ontwikkelingsstappen die het consultatiebureau ook volgt. Er staan geen deadlines bij en er komt geen melding dat je baby iets zou moeten kunnen.
Zie je iets gebeuren, dan tik je op Noteren en zet je de datum vast, met een foto of een paar zinnen erbij. Zo kun je de ontwikkeling bijhouden in de app op de momenten dat het jullie uitkomt, zonder er elke dag aan te denken. Over een jaar heb je daarmee een dagboek dat je nooit bewust hebt bijgehouden.
De groei: de lijn van het consultatiebureau
In deze periode kom je een paar keer op het consultatiebureau en wordt je baby gewogen en gemeten. Zet die getallen in de app, met erbij of ze van het bureau komen of van thuis. Vanaf de tweede meting tekent de app een lijn door jullie eigen punten, met bij elk punt het gemeten getal erbij.
Er staan bewust geen gekleurde lijnen in die aangeven wat goed of fout zou zijn. Wat een meting betekent, hoor je op het consultatiebureau; de app zorgt dat je daar met complete cijfers aankomt.
Samen en de oppas
Gaat je baby naar de opvang of komt er een oppas, dan wordt de overdracht een terugkerend gesprek. Geef degene die oppast de oppasrol: die ziet het dagoverzicht met de laatste voeding en het laatste slaapje, en registreert zelf mee. Jullie foto’s, verhaaltjes en mijlpalen blijven privé.
Opa en oma die vaak zorgen kun je volledig laten meedoen, of je zet per onderdeel om wat ze zien: het dagoverzicht wel, het dagboek alleen lezen, de documenten niet. In totaal kunnen er zes mensen in één gezin, jezelf meegerekend.
- Alles staat vrijwel meteen op de telefoon van de ander, dus vragen over en weer zijn niet meer nodig.
- Van het Dagboek maak je een pdf, bijvoorbeeld om aan opa en oma te sturen.
- Komt er een tweede kindje, dan houd je ze naast elkaar bij zonder opnieuw te betalen.
Bronnen en verantwoording
- NCJ, Van Wiechen ontwikkelingsonderzoek (referentiewaarden per kenmerk)
- NCJ, JGZ-richtlijn Slaap (2026), 2.3 Normaal slaapgedrag, tabel 1 (geraadpleegd september 2026)
- Voedingscentrum, Hapjes uitbreiden (6 tot 8 maanden) en Toewerken naar volledige maaltijden (8 tot 12 maanden)
- VeiligheidNL, De 4 van Veilig ontdekken, De 4 van Veilig slapen en Voorkom verstikking bij jouw kind
- Nederlands Jeugdinstituut, eenkennigheid
- Rijksvaccinatieprogramma (RIVM), vaccinatieschema (overige bronnen geraadpleegd augustus 2026)
De ontwikkelingscijfers komen uit het Van Wiechen ontwikkelingsonderzoek, zoals het NCJ de referentiewaarden per kenmerk publiceert. De slaapcijfers komen uit tabel 1 van de JGZ-richtlijn Slaap (2026), 2.3 Normaal slaapgedrag. De voedingsadviezen zijn van het Voedingscentrum, de veiligheidsadviezen van VeiligheidNL, en de uitleg over eenkennigheid van het Nederlands Jeugdinstituut. Wat er over vaccinaties staat, komt van het Rijksvaccinatieprogramma. De richtlijn Slaap is geraadpleegd in september 2026, de overige bronnen in augustus 2026.
Gecontroleerd op 30 augustus 2026. De redactie van BabyTracker loopt elk artikel na bij de bronnen hierboven en past de tekst aan als een richtlijn verandert.
Dit artikel is algemene informatie en geen medisch advies. Het advies van je consultatiebureau, verloskundige of huisarts gaat altijd voor. Twijfel je over de gezondheid van je baby, neem dan contact op met het consultatiebureau of je huisarts.
Veelgestelde vragen
Mijn baby kruipt niet. Is dat erg?
Kruipen op handen en knieën komt pas bij vijftien maanden aan bod op het consultatiebureau, en tijgeren met de buik op de grond komt daar meestal maanden voor. Sommige kinderen slaan het kruipen over en schuiven op hun billen naar het lopen. Op het consultatiebureau wordt naar het geheel gekeken: of je kind vooruitkomt, beide kanten van zijn lichaam even goed gebruikt en nieuwe dingen laat zien. Bespreek het daar als je twijfelt.
Wanneer zegt mijn baby zijn eerste woordje?
Rond negen maanden zegt ongeveer 99 van de 100 kinderen reeksen als dadada of bababa, maar daar zit nog geen betekenis in. Naar twee geluidswoorden met begrip wordt in hetzelfde onderzoek pas rond vijftien maanden gevraagd, en dan laat ongeveer 83 van de 100 kinderen het zien. Begrijpen loopt dus voor op zeggen, en de spreiding is groot. Zie ook wanneer een baby mama zegt.
Hoeveel melk heeft mijn baby nog nodig nu hij eet?
Tussen 8 en 12 maanden is twee à drie melkvoedingen per dag de richtlijn, en voeden op verzoek blijft het uitgangspunt. Reken op ongeveer een week om één maaltijd zo groot te maken dat er een melkvoeding af kan. Rond 12 maanden eten de meeste kinderen drie volledige maaltijden mee.
Krijgt mijn baby in dit halfjaar een prik?
In het schema dat in augustus 2026 geldt, staat tussen 6 en 12 maanden geen prik gepland: na de prikken van 3 en 5 maanden volgt de eerstvolgende rond de eerste verjaardag. Een uitzondering is de RS-virusprik, die met het seizoen meeloopt en bij baby's die in het voorjaar geboren zijn in september of oktober kan vallen. Het schema verandert af en toe, dus het actuele schema staat bij het RIVM; de uitnodiging komt vanzelf en het consultatiebureau is leidend. Zie het Rijksvaccinatieprogramma.
Wanneer verlaag ik de bodem van het bedje?
Zodra je kind zich in bed optrekt of erin gaat staan. Vanaf dat moment is de rand bereikbaar en kan hij er eerder uit vallen dan je verwacht. De overige slaapregels blijven hetzelfde: op de rug neerleggen, een leeg bedje en een passende slaapzak; zie de vier basisregels voor veilig slapen.
BabyTracker op je telefoon
€ 4,99je betaalt één keer, voor iedereen in je gezin
Je betaalt de app één keer af in de App Store of Google Play, en daarmee heb je alles: elke functie zit er meteen in, en updates die er later bij komen ook. Je partner en de rest van je gezin betalen niets.
Voor iPhone en Android, in de App Store en Google Play.