Wat de app kan
Menu
Je betaalt één keer € 4,99 76 functies in de app Jullie gegevens blijven veilig Zes mensen in één account, met rechten per persoon Hulp per mail, vaak binnen een dag

Home / Kennisbank / Ontwikkeling / Je baby van 3 tot 6 maanden: grijpen, rollen en de eerste oefenhapjes

Praktische info en wat BabyTracker in deze maanden voor je doet

Je baby van 3 tot 6 maanden: grijpen, rollen en de eerste oefenhapjes

Door de redactie van BabyTracker · Bijgewerkt op 30 augustus 2026

Je houdt een rammelaar boven het speelkleed en er gaat voor het eerst een hand naartoe die hem ook echt raakt. Een paar weken eerder zwaaide diezelfde hand er nog langs.

Bij 25 tot 26 weken pakt ruim 96 van de 100 kinderen een voorwerp binnen bereik, en zelf van rug naar buik en weer terug draaien lukt gemiddeld rond vijf maanden. Sommige baby’s kunnen dat pas rond negen maanden, en ook dat komt bij gezonde kinderen voor.

Hieronder staan de cijfers per vaardigheid, wat er thuis verandert zodra je baby zich draait, en wanneer je het bespreekt.

In het kort

  • Bij 25 tot 26 weken pakt ruim 96 van de 100 kinderen een voorwerp vast.
  • Zelf heen en terug rollen lukt gemiddeld rond vijf maanden, soms pas rond negen.
  • Bij de eerste rolpoging stopt het inbakeren, en de commode is nooit meer onbewaakt.
  • Oefenhapjes passen bij 4 tot 6 maanden; pindakaas en ei vóór 8 maanden.
  • Lacht je baby met drie maanden niet terug, leg dat dan voor op het consultatiebureau.

Wat je in deze maanden merkt

Je baby is langer wakker en kijkt langer naar je gezicht. Hij maakt geluidjes terug als je tegen hem praat, en de geluiden worden gevarieerder: kraaien, brommen, hoge en lage tonen achter elkaar.

De handen komen samen middenvoor, boven de borst. Vanuit die plek gaat er een hand naar een voorwerp, en wat gepakt is, gaat naar de mond. Zo onderzoekt een baby wat hij vasthoudt, en daarom liggen kleine voorwerpen vanaf nu buiten bereik.

Op de buik komt het hoofd verder omhoog en gaat de borst van de grond, met steun op de onderarmen. Op de rug kantelt je baby steeds vaker op de zij. Dat kantelen is de opmaat naar de eerste rol, en die komt meestal zonder aankondiging.

Wat gebruikelijk is, in cijfers

Dit verschilt per kind. De tabel geeft een richting, geen norm. De cijfers komen uit het onderzoek waarop de referentiewaarden van het Van Wiechenonderzoek zijn gebaseerd: bijna twintigduizend kinderen die door de jeugdgezondheidszorg in Den Haag zijn onderzocht. Ze zeggen hoeveel van die kinderen het kenmerk op die leeftijd lieten zien. Te vroeg geboren kinderen en kinderen met een laag geboortegewicht zijn er niet in meegeteld.

Wat er wordt bekekenOnderzoeksleeftijdKinderen die het lieten zien
Lacht terug9 tot 10 weken99,5 van de 100
Maakt geluiden terug13 tot 14 weken99,6 van de 100
Maakt gevarieerde geluiden25 tot 26 weken99,7 van de 100
Speelt met de handen middenvoor25 tot 26 weken98,3 van de 100
Pakt op de rug een voorwerp binnen bereik25 tot 26 weken96,6 van de 100 met de rechterhand, 96,3 met de linker
Kijkt op de buik rond met het hoofd 90 graden omhoog25 tot 26 weken96,1 van de 100

Waarom juist deze punten worden bekeken

De onderzoeksleeftijden zijn zo gekozen dat op elk punt minstens negen van de tien kinderen het kenmerk laten zien. In de praktijk loopt dat aandeel rond die leeftijden uiteen van 81 tot 100 procent, afhankelijk van het kenmerk. Een min is daarom een reden om verder te kijken en geen uitslag; de jeugdarts of jeugdverpleegkundige kijkt naar de lijn van jouw kind over meerdere bezoeken.

In deze tabel staat het omrollen niet, en dat is geen vergissing. Van rug naar buik en weer terug draaien wordt bij het onderzoek op het consultatiebureau pas bij 37 tot 40 weken bekeken, rond negen maanden, en dan laat ruim 97 van de 100 kinderen het zien. De meeste baby’s kunnen rond zes maanden omrollen; een baby die het dan nog niet doet, valt dus ruim binnen wat gebruikelijk is. Meer over die opbouw staat in wanneer gaat een baby omrollen.

In dezelfde bezoeken worden lengte, gewicht en hoofdomtrek gemeten, en vallen er prikken van het Rijksvaccinatieprogramma. Ook bij de groei telt de lijn over meerdere metingen en niet het getal van vandaag; dat staat uitgelegd in de groeicurve en het gewicht.

Waarom het grijpen in deze volgorde komt

Wat je ziet, is dat je baby ergens naar reikt en het ook pakt. Wat daaronder zit, is een stap die eerder komt: de handen vinden elkaar boven de borst. Dat is aan de cijfers te zien, want bij 21 tot 22 weken speelt 98,5 van de 100 kinderen al met de handen middenvoor, tegen 95 van de 100 die een voorwerp binnen bereik pakken.

Zolang de armen vooral opzij liggen, blijft de hand buiten het gezichtsveld. Komt de hand middenvoor, dan ziet je baby zijn eigen beweging en kan hij leren wat die oplevert. Een speeltje dat je middenvoor boven zijn borst aanbiedt, op ongeveer een armlengte, ligt daardoor binnen wat hij kan zien en kan pakken; naast zijn hoofd is dat lastiger.

In deze maanden ontwikkelt het dieptezicht zich, en dat heeft je baby nodig om gericht te kunnen grijpen. Wat een baby op welke leeftijd ziet, staat in wat ziet een baby.

De eerste rolpoging verandert wat er thuis geldt

De fase waarin een baby voor het eerst van rug naar buik probeert te draaien, geldt als een fase met een sterk verhoogd risico op wiegendood. De reden is mechanisch: de draai naar de buik lukt eerder dan de draai terug. Een baby die op zijn buik belandt en nog niet terug kan, kan met het gezicht tegen het matras komen te liggen en daardoor niet goed ademen.

Daar volgen drie dingen uit. Inbakeren stopt direct zodra je de eerste poging tot draaien ziet, want ingebakerd zijn de armen niet vrij om terug te rollen. Is je baby vier maanden, dan bouw je het inbakeren sowieso geleidelijk af, en vanaf zes maanden is het volledig afgebouwd; een slaapzak is de opvolger.

Verder blijft je baby op de rug in bed, ook als hij het zelf anders regelt. Draait hij zich in bed naar de buik, dan leg je hem terug op de rug. Dat terugleggen is niet meer nodig zodra hij zichzelf vlot van rug naar buik en weer terug draait, en dat kunnen baby’s gemiddeld rond vijf maanden, sommige pas rond negen maanden.

En vanaf de eerste rol is de commode of de bank geen plek meer om je baby even te laten liggen, ook niet voor de seconde waarin je de billendoekjes pakt. Moet je weg bij de aankleedtafel, leg hem dan in bed of in de box.

Slapen verandert mee

Over de slaapduur per leeftijd zijn gemeten cijfers bekend. Het zijn metingen en geen aanbeveling, en dat verschil telt. Rond drie maanden slaapt een baby gemiddeld 14,6 uur per etmaal, met een spreiding van 6 tot 22 uur; rond zes maanden is het gemiddelde 15 uur, met een spreiding van 6 tot 21 uur.

Die uren verdelen zich over de nacht en een paar dutjes overdag. Hoeveel dutjes dat er zijn, verschilt sterk per kind; het aantal neemt in de loop van het eerste jaar langzaam af.

Doorslapen, ononderbroken slapen tussen middernacht en zes uur, is op deze leeftijd nog niet vanzelfsprekend. Wakker worden neemt tussen drie en zes maanden gemiddeld zelfs iets toe, van 2,2 naar 2,5 keer per nacht, met op beide leeftijden een spreiding van nul tot vijftien keer. De bandbreedte van 12 tot 15 uur die je op veel plekken tegenkomt, is een aanbeveling en geen meting; het verschil staat uitgelegd in hoeveel slaapt een baby.

Rond drie tot vier maanden gaan de nachten bij een deel van de kinderen juist een tijd slechter, na weken waarin het al beter liep. De opbouw van de slaap verandert dan: er komen vastere cycli met meer lichte fases, en daardoor wordt je baby vaker even wakker. Die periode wordt vaak slaapregressie genoemd, al komt dat woord niet uit een Nederlandse richtlijn.

De veiligheidsadviezen blijven ongewijzigd: op de rug, in een leeg bed, niet te warm en rookvrij. Ze staan uitgelegd in veilig slapen: de basisregels.

De eerste oefenhapjes

Je start met oefenhapjes als je baby tussen de 4 en 6 maanden is, en niet eerder. Een goed uitgangspunt is één of twee keer per dag drie tot vier kleine lepeltjes fijngemaakte groente of fruit. Melk blijft in deze fase de hoofdvoeding; de oefenhapjes zijn om van een lepel te leren eten en aan smaken te wennen, niet om de honger te stillen.

Om voedselallergie te helpen voorkomen is het advies om vóór 8 maanden ook pindakaas zonder stukjes en goed doorbakken roerei of hardgekookt ei te geven. De kans op een allergie is kleiner naarmate je pinda of ei eerder geeft. Heeft je baby eczeem of aanleg voor allergie, dan is het advies om vóór 6 maanden te beginnen, en overleg je eerst met de behandelend arts of diëtist.

Geef pinda en ei daarna wekelijks door, tot je kind minstens een jaar is. Het volledige stappenplan staat in eerste hapjes: wanneer je start en waarmee en pindakaas en ei.

Wat je kunt proberen

Er is geen programma nodig. Hieronder staat per onderdeel wat je kunt aanbieden.

  • Voor het bewegen: leg je baby op de buik terwijl je erbij blijft. Vanaf de geboorte is minstens drie keer per dag het advies, en vanaf drie tot vier maanden vijf keer een kwartier of drie keer een half uur per dag; het maakt de nek, de rug en de armen sterker.
  • Voor het grijpen: houd een speeltje middenvoor boven zijn borst, op ongeveer een armlengte, in plaats van naast zijn hoofd. Op die plek kan je baby zien en reiken tegelijk.
  • Voor het rollen: leg iets interessants net naast hem in plaats van recht voor hem, zodat draaien iets oplevert. Je kunt de beweging voordoen door je baby op zijn zij te leggen met de onderste arm gestrekt boven het hoofd, en dan zachtjes aan de bovenste arm te trekken.
  • Voor de taal: geef geluidjes terug en wacht daarna een paar tellen. In die stilte komt het antwoord, en zo oefent je baby dat praten om de beurt gaat.
  • Voor de dag: houd het verschil tussen dag en nacht groot, met daglicht en gewone huisgeluiden overdag en gedempt licht ’s nachts. Zo went je baby aan het verschil tussen dag en nacht, dat vanaf ongeveer tien tot twaalf weken begint te ontstaan.
  • Voor de drukke dagen: plan de dag na bezoek of een uitje rustiger. Bij sommige kinderen werkt drukte door in de nacht erna; de signalen van te veel prikkels staan in de overprikkelde baby.

Wat vaak niet helpt

Een paar dingen die veel worden geprobeerd of nog worden doorverteld, met wat er nu over bekend is.

  • Het inbakeren doorzetten omdat je baby er goed van slaapt, terwijl hij al rolpogingen doet. Baby’s hebben in een inbakerslaapzak vaak net genoeg ruimte om naar de buik te draaien, maar kunnen hun armen niet genoeg bewegen om weer terug te draaien.
  • Een wig, een kussen of een matrasbeschermer met ventilerende toplaag gebruiken als bescherming. De bewering dat een baby daarop gewoon kan doorademen, is niet bewezen; het product voorkomt geen wiegendood.
  • Je baby in bed op de buik leggen omdat hij dan rustiger is. Voor een baby die op de buik slaapt is de kans op wiegendood vier tot vijf keer groter dan gemiddeld, en bij een baby die het niet gewend is nog hoger; ook één enkele keer is risicovol.
  • Vóór vier maanden beginnen met hapjes in de hoop op rustiger nachten. Het advies is 4 tot 6 maanden, en melk stilt de honger in deze fase nog volledig.
  • Een smaak afschrijven omdat je baby er vies van keek. Een kind heeft soms wel tien keer proeven nodig om aan een smaak te wennen.
  • Vergelijken met leeftijdsgenoten bij het babyzwemmen of op verjaardagen. De spreiding tussen gezonde kinderen is breed: rond de aanbevolen onderzoeksleeftijden liep het aandeel kinderen dat een kenmerk liet zien in het Haagse onderzoek uiteen van 81 tot 100 procent.

Als het niet werkt

Niet alles lukt meteen, en hieronder lees je per advies wat je dan kunt doen.

Gaat je baby na een halve minuut op de buik huilen, stop dan en probeer het vaker en korter. Op jouw borst of over je onderarm telt ook als buikligging. Blijft het na een week of twee elke dag onmogelijk, of houdt je baby het hoofd steeds naar dezelfde kant, leg dat dan voor op het consultatiebureau; daar wordt naar de houding en de vorm van het hoofd gekeken.

Weigert je baby het lepeltje, duwt hij het met de tong terug of spuugt hij alles uit, stop dan dat moment zonder er iets van te maken. Probeer het na een paar dagen opnieuw, met dezelfde smaak; tien keer proeven is niet ongewoon. Lukt het rond zes maanden nog steeds niet, bespreek het dan op het consultatiebureau; er is dan tijd genoeg, en niets in te halen.

Rolt je baby met zes maanden nog niet, dan is oefenen volgens een schema niet nodig. Buikligging en iets interessants naast hem doen het werk. Noem het op het volgende bezoek, dan wordt er gekeken of alles aan beide kanten even goed beweegt.

Blijven de nachten na een paar weken slechter dan daarvoor, kijk dan eerst naar de wakkertijden overdag in plaats van naar de nacht. Een dutje dat te laat komt, maakt inslapen ’s avonds moeilijker; de overgangen staan in dutjes en hun overgangen.

Wanneer je contact opneemt

Twijfel over de ontwikkeling is een gewone reden om te bellen, ook tussen twee bezoeken door. Dit is wat je waar neerlegt.

Bespreek het met het consultatiebureau, telefonisch of op het spreekuur:

  • Je baby lacht met drie maanden niet terug en maakt geen geluidjes terug.
  • Je baby reageert niet op geluid, of zoekt niet met de ogen waar een geluid vandaan komt.
  • Het hoofd komt op de buik niet omhoog, of je baby gebruikt een arm of een been duidelijk minder dan de andere.
  • Je baby houdt het hoofd steeds naar dezelfde kant, of het hoofd wordt aan één kant platter.
  • Je maakt je zorgen over de ontwikkeling en je komt er zelf niet uit. Dat is genoeg reden.

Naar de huisarts of de spoedpost

Maak een afspraak bij de huisarts als je baby duidelijk minder drinkt, minder natte luiers heeft of niet aankomt, als hij opvallend slap of juist steeds gespannen aanvoelt, of als vaardigheden die er waren weer verdwijnen.

Bel direct de huisarts, of buiten kantooruren de huisartsenspoedpost, bij een baby die suf en moeilijk wakker te krijgen is, bij een ademhaling die sneller of moeizamer is dan je gewend bent, of bij vlekjes die niet wegdrukken. Is je baby nog geen drie maanden, bel dan bij 38,0 graden of hoger altijd direct; de rest staat in koorts: wanneer bel je. Bel 112 bij niet reageren, blauw zien of ademnood.

Noem in het gesprek ook wat er al eerder speelde: een geboorte vóór 37 weken, een bekende aandoening, of een eerdere zorg over de ontwikkeling. Bij te vroeg geboren baby’s wordt gerekend met de gecorrigeerde leeftijd, en dat verschuift alle leeftijden in dit artikel; zie de gecorrigeerde leeftijd.

Hoe het met jou gaat

Deze maanden zijn vaak lichter dan de eerste, en tegelijk gaan de nachten bij een deel van de kinderen rond drie tot vier maanden juist weer stuk. Uit onderzoek onder Nederlandse baby’s van zes maanden ervaart één op de tien ouders het slapen van hun kind als een probleem. Als jij op bent, is dat op zichzelf een reden om het te noemen, ook zonder dat er iets met je baby aan de hand is.

Wat praktisch scheelt: spreek af dat je partner of iemand anders één nacht per week of één ochtend overneemt, zodat er een blok slaap is waarop je kunt rekenen. Zet je vragen op papier of in de app voordat je naar het consultatiebureau gaat, want in de afspraak zelf ben je ze zo kwijt; het bezoek voorbereiden helpt daarbij. Wat je tussendoor opvalt, kun je op dezelfde manier kwijt: de ontwikkeling bijhouden in de app betekent dat de eerste rol of een nieuw geluidje met een datum vastligt, ook als het gesprek pas weken later is.

Kom je op een punt dat het huilen je te veel wordt, leg je baby dan veilig in bed, ga de kamer uit en haal adem. Waar je daarover kunt praten, staat in als het huilen te veel wordt.

Deze maanden in de app

De weekkaart in BabyTracker loopt met deze maanden mee: per levensweek wat er vaak speelt, van het eerste rollen tot de oefenhapjes. De eerste rol en de eerste hap leg je vast als mijlpaal, met een foto in het dagboek erbij, en iedereen in het gezin ziet het dezelfde dag.

Bekijk voeding bijhouden

Het mijlpalenscherm van BabyTracker met mijlpalen op datum
De eerste rol en de eerste hap, als mijlpaal op datum.

Bronnen en verantwoording

  • NCJ, referentiewaarden van het Van Wiechenonderzoek, gebaseerd op Deurloo e.a., Hernieuwde evaluatie van de referentiewaarden van het Van Wiechenonderzoek, Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2021
  • NCJ, JGZ-richtlijn Slaap (2026), 2.3 Normaal slaapgedrag (geraadpleegd september 2026)
  • VeiligheidNL, Protocol Veilig Slapen in de Dagopvang, versie 1.1, februari 2026
  • Voedingscentrum, De oefenhapjes (4 tot 6 maanden) en Introductie pinda en ei bij baby’s
  • GroeiGids, Oefenen op de buik en Leren omrollen en kruipen (overige bronnen geraadpleegd augustus 2026)

De cijfers over lachen, geluiden, grijpen en omrollen komen uit de referentiewaarden van het Van Wiechenonderzoek zoals het NCJ die publiceert. Die zijn gebaseerd op het onderzoek van Deurloo en anderen uit 2021 in het Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg, onder bijna twintigduizend kinderen die door de jeugdgezondheidszorg in Den Haag zijn onderzocht.

De slaapcijfers komen uit de JGZ-richtlijn Slaap (2026), 2.3 Normaal slaapgedrag, tabel 1. De adviezen over rugligging, inbakeren en de eerste rolpoging komen uit het Protocol Veilig Slapen in de Dagopvang, versie 1.1 van februari 2026. De adviezen over oefenhapjes, pinda en ei komen van het Voedingscentrum. De adviezen over buikligging en het voordoen van het rollen komen van GroeiGids. De richtlijn Slaap is geraadpleegd in september 2026, de overige bronnen in augustus 2026.

Gecontroleerd op 30 augustus 2026. De redactie van BabyTracker loopt elk artikel na bij de bronnen hierboven en past de tekst aan als een richtlijn verandert.

Dit artikel is algemene informatie en geen medisch advies. Het advies van je consultatiebureau, verloskundige of huisarts gaat altijd voor. Twijfel je over de gezondheid van je baby, neem dan contact op met het consultatiebureau of je huisarts.

Veelgestelde vragen

Wanneer rolt een baby om?

De meeste baby's kunnen rond zes maanden omrollen. Zelf van rug naar buik en weer terug draaien lukt gemiddeld rond vijf maanden, en sommige baby's zijn daar pas rond negen maanden aan toe. Op het consultatiebureau wordt omrollen in beide richtingen pas rond negen maanden bekeken; een baby van zes maanden die nog niet rolt, valt dus ruim binnen wat gebruikelijk is.

Vanaf wanneer mogen de eerste hapjes?

Je start als je baby tussen de 4 en 6 maanden is, en niet eerder dan 4 maanden. Begin met één of twee keer per dag drie tot vier kleine lepeltjes. Melk blijft in deze fase de hoofdvoeding.

Wanneer stop je met inbakeren?

Vanaf vier maanden bouw je het inbakeren geleidelijk af, en vanaf zes maanden is het volledig afgebouwd. Doet je baby vóór zes maanden al een poging om van rug naar buik te draaien, dan stop je er direct mee, omdat de armen ingebakerd niet vrij zijn om terug te rollen.

Hoeveel slaapt een baby van zes maanden?

Gemiddeld 15 uur per etmaal, met een spreiding van 6 tot 21 uur. Wakker worden hoort daar nog gewoon bij: op zes maanden gemiddeld 2,5 keer per nacht, met een spreiding van nul tot vijftien keer. Hoeveel dutjes daarbij horen, verschilt sterk per kind.

Mijn baby van vijf maanden pakt nog weinig vast. Is dat een reden om te bellen?

Het is een goede vraag voor het consultatiebureau, ook tussen twee bezoeken door. Bij 25 tot 26 weken pakt ruim 96 van de 100 kinderen een voorwerp binnen bereik, dus dit wordt daar gevolgd. Bel eerder als je baby een arm duidelijk minder gebruikt dan de andere.

BabyTracker op je telefoon

€ 4,99je betaalt één keer, voor iedereen in je gezin

Je betaalt de app één keer af in de App Store of Google Play, en daarmee heb je alles: elke functie zit er meteen in, en updates die er later bij komen ook. Je partner en de rest van je gezin betalen niets.

Voor iPhone en Android, in de App Store en Google Play.